Dag 127 en 128 – 29 en 30 september 2016 – van Marina di Massa via Forte dei Marmi naar Pietrasanta – 18 km


Alhoewel ik het uitzicht vanop het balkon van onze kamer in de Ostello Apua grandioos vind, heb ik er deze morgen een beetje de pest in. Één van de beweegredenen om vanaf Avenza de fietsroute te volgen ipv de wandelroute is om aan het strand wat te relaxen. De andere is – op aanraden van onze gids – om de drukke, gevaarlijke, stofrijke weg door Massa te vermijden. Wél willen we elke dag een beetje wandelen, struinen van de ene verblijfplaats naar de andere. En ook gewoon een tweetal daagjes lekker uitslapen. De nacht was heerlijk koel, de zeelucht kwam door de openstaande balkondeuren binnen en het zachte geluid van de golven maakte mijn slaap dieper en intenser. Deze nacht mag voor mij nog een paar uurtjes blijven duren. 

Dat was echter buiten André gerekend. Deze immer vroege vogel kan enkel in bed blijven liggen wanneer ik langs hem slaap. Ook thuis is dat zo.  Die paar keren dat ik in Houthalen slaap en hij in Leuven, heeft hij om halfzes al ontbeten en tegen zeven uur al enkele heel lieve WhatsApp’s naar mij gestuurd. Vannacht hadden we aparte bedden en dus moet hij dat bed uit. Omstreeks zeven uur staat hij al quasi helemaal klaar aan mijn bed, neemt mijn warme been vast met zijn ijskoude handen (voor acht uur is hier geen warm water en hij heeft zich duidelijk met koud water gewassen), ik verschiet van de koude, slaak een schreeuw en ben niet zo blij. ‘Ja maar het is al zeven uur voorbij’ verdedigt hij zich. ‘Ja maar we gingen toch uitslapen’ jammer ik terwijl ik de lakens over mijn hoofd trek, mij op mijn buik leg, het kussen in een bolletjes onder mijn hoofd stoppend, klaar om minstens nog een uurtje in te dommelen. ‘Ja maar ik heb zo honger’ hoor ik André zachtjes zielig murmelen.  Kijk, daar heb ik alle begrip voor. Ik heb mij dan maar uit bed gesleept, mij uitgerekt langs alle kanten, ben al geeuwend en nog moe gaan kijken naar het spektakel van de matinale zee, ben mij gaan wassen en heb mijn rugzak gepakt. Ik sta er wel op dat we de dag zoals afgesproken heel, heel relax doorbrengen. We moeten vandaag slechts 11 km doen tot Forte Dei Marmi. 


En daar gaat André mee akkoord. Tot 11 uur zitten we op het terras van de bar van Virginia en Roberto, te ontbijten en onze correspondentie bij te werken. Virginia vertelt mij dat ze al 57 jaar, sinds ze getrouwd zijn, met Roberto de zaak runt en dat samen nog steeds even graag doen. Ze zijn nog nooit op reis geweest. ‘Het microklimaat is hier geweldig! De minimum temperatuur is nul graden. Het heeft maar één keer gesneeuwd. Dat was in 1998, een echte kerstsfeer in januari. Achter ons hebben we de zee, voor ons de bergen. Wat zouden de elders gaan zoeken.’ 

Wanneer wij vertrekken, houdt André mijn rugzak voor mij omhoog zodat ik hem gemakkelijk om kan doen. Dat doet hij altijd trouwens. Virginia ziet dat en roept naar Roberto ‘Kom eens hier! Kijk hoe Andrea zijn vrouw helpt! Daar kun je nog iets van leren!’ Roberto grinnikt. Wanneer ik een afscheidsfoto  wil nemen, neemt hij Virginia stevig vast en dat vindt ze leuk. 

Wij vertrekken en stappen zo dicht mogelijk tegen het strand. De zee is kalm, de lucht is blauw en het is rustig op het strand, heel rustig. 


Aan de strandbars is het wel erg geanimeerd. Daar zitten ze dus. Ik moet naar het toilet en dus gaan we ook iets drinken. Relaxen is vandaag immers ons motto! Ik ben nog steeds niet goed wakker. 


Dit is het Don Gniocchi-huis. Een immens grote building op het strand.  ‘Zouden ze hier gnocchi maken?’ zeggen we schertsend tegen elkaar terwijl we het verbodssignaal om dit privaat-strand niet te betreden, negeren. 


Ik vraag het aan deze drie keuvelende dames voor het gebouw. Maria-Grazia (met dreadlocks en bikini) vertelt dat het een herstellingsoord is voor zieken, zoals zijzelf en Libera (met grijs kleedje) en Anna (met blauw kleedje). Maria-Grazia blijkt van Sicilië te zijn en wanneer ze hoort dat ik Concetta heet en dus ook van Sicilië ben, is ze niet meer te stoppen. Bijna haar heel levensverhaal in een notendop vertelt ze mij. Haar eerste vriendje was trouwens van Enna, mijn provincie. Maar dat was een driftige, jaloerse kerel die haar al sloeg als ze een zomers kleedje durfde dragen. Ik ken dat soort kerels. De reden waarom ik nooit ofte nooit een Italiaanse man als vriend, laat staan als man, heb gewild, ook al weet ik dat ze niet allemaal zo zijn. En zo ging het nog een tijdje verder en nu zijn we Social Media-friends. 


Even verder doet een meisje op het strand haar kleedje uit en zet zich in bikini op de keitjes. De twee voorbij rijdende politiemannen in de blauwe auto vertragen, houden dan lange tijd stil, doen alsof ze van alles te doen hebben en loeren vanachter hun zwarte zonnebril naar het meisje.  Wij hebben het allemaal gezien en stappen traag verder de politieauto voorbij, achter onze zwarte zonnebril loerend naar de twee politiemannen. 

Soms zien we de zee voluit.. 


…soms door een kijkgat en soms is ze helemaal verscholen achter de talrijke ‘banjo’s’. Aan de andere kant van de straat is er de ene camping na de andere. We drinken nog een colaatje, eten een pasta en om 15u04… 


… hebben we nog maar iets meer dan de helft van de af te leggen kilometers gedaan. Nu zetten we er de pas in. Ik ben nog steeds zo moe. 


Vanaf de piazza met dit marmeren kunstwerk begint het straatbeeld te wijzigen…



… en wordt de ‘strada lungomare’ een mooie laan met mooie planten en palmbomen.  De hotels gaan van drie sterren, via vier sterren over naar vijfsterren en de ‘banjo’s worden luxueuzer. 

Een cruiseschip ligt daar zelfs te dobberen in het water. 

Al van deze morgen razen fietsers ons voorbij. De Apennijnen op de achtergrond geven hen een Giro-achtige uitstraling. 


We komen aan in Forte dei Marmi, het geboortedorp van koningin Paola. Andrea Bocelli woont nu in Villa Giullia, haar ouderlijk huis. Die hebben we niet gezien, op de foto staat een andere villa dat nu dienst doet als cultureel centrum. 


Chique winkels … 


… mooie pleinen, 


… chique stranden. 

Er is zelfs een ‘Forte dei Marmi’-roos … 


… die is even mooi als de ‘Vie en rose’-start van onze dag in het viersterrenhotel Raffaelli Park Hotel. Het is vrijdagmorgen 30 september en ik ben fit en monter opgestaan. 


Vanuit onze kamer is het beeld niet zo spectaculair als gisterenmorgen aan zee. Nu zien we daken met daarachter in de verte de Apennijnen in de wolken.  


Even worden de wolken donkerder, maar de zon is krachtig genoeg om ze te doorbreken en geeft ons een prachtige hemel cadeau. We blijven langs de kust stappen tot in Marina Di Pietrasanta. 

Daar willen we nog een koffie drinken aan het strand voordat we terug het binnenland intrekken. 


Het lukt nog net! Vandaag stopt het seizoen en ze zijn bezig met alles af te breken en weg te bergen. Wij krijgen de laatste twee koffie’s geserveerd. Wel zonder melk, stelt de bardame, want die heeft ze niet meer.

Na Marina Di Pietrasanta gaan we via het mooie, aangename  Versiliana park langs de Viale Apua tot in het centrum van Pietrasanta, bekend van haar vele marmerateliers en kunstgalerieën. 

Ik heb weer ontzettend gedroomd vannacht en ik vertel er André over terwijl we door het park gaan. In één droom ging het over een geheime genootschap die een schat bewaarde op een heel toeristische site, net achter de deur waar niemand naar binnen mocht. Iets Dan Brown-achtig waarbij het mij niet duidelijk was of ik bewaker van die schat was of de ontdekker van het geheim. In een tweede droom hadden André en ik aan onze vrienden, Mieke en Roland. twee krakkemikkige bedden geschonken. Die durfden niet anders dan hun degelijke, grote, comfortabele tweepersoonsbed weg doen om ons ‘cadeau’ te kunnen zetten. En ik sloeg mij om de oren omdat ik niet begreep hoe ik hen zo’n onnozel slecht cadeau kon doen. In een derde droom worden André en ik overreden door een soort tank. We worden heel dun geplet onder de tank, doch geen bloed, geen vocht dat uit onze lichamen kwam, zoals je dat soms ziet in stripverhalen. Ik hoorde een vrouw zeggen dat we toch wel niet meer levend te krijgen waren. Hopeloos, zei ze. 

Ook André heeft gedroomd. Hij heeft in tegenstelling tot mij steeds dezelfde droom: hij is gepensioneerd en moet toch gaan werken en dan krijgt hij nog tegen zijn voeten ook. 


We zijn net uitverteld of ik zie aan de rechterkant van ons pad Siegmund Freud. Een freudiaans geschoolde therapeute kan ons helpen onze dromen te verklaren.  Misschien moet ik dat maar eens doen. Later. 

En dan komen we aan in Pietrasanta. 


Wat een trieste eerste indruk: grijs, druk, vies. Zelfs Michelangelo kan geen glimlach op zijn gezicht toveren. We moeten echt oppassen om niet geplet te worden of één van mijn dromen van vannacht wordt realiteit!

Gelukkig is het centrum zelf mooi en heel kunstig. Echt de moeite. 

De tentoonstelling in het Bertelli museum toont naast hedendaags werk ook gewone marmeren beelden. 

Zoals deze van mijn lievelingscomponist Puccini. Iets zuidelijker in de provincie Lucca ligt trouwens Torre del Lago Puccini waar iedere zomer alle opera’s van Puccini worden opgevoerd. Ik ben er al geweest en wil zeker terug om het festival mee te maken. 

In de Chiesa della Misericordia zijn twee mooie bewaarde fresco’s van de Colombiaan Bartolo. 


Zo ziet het er volgend hem uit in de hemel … 

… en zo in de hel. 

Voordat ik afsluit wil ik toch een bezorgdheid met jullie delen. Al sedert we in Italië zijn, zien we de gele FIAT-panda van Paul en Vera, onze uiterst sympathieke bovenburen in Houthalen, echt overal rond ons toeren. 

Ze hebben zich vermomd met een Italiaanse nummerplaat en volgen ons constant. Wat denken jullie? Zouden ze ons ingeschreven hebben voor ‘Sorry voor alles’ en zijn alle bizarre dingen die we meemaken in scène gezet door hen? Zoals bvb dat ik bel voor een tweesterren pension in de chique Forte dei Marmi en voor dezelfde prijs een viersterrenhotel aangeboden krijg ontbijt inclusief? Waar onze rugzakken door de piccolo naar boven gebracht worden en wij – die duizenden kilometers te voet afleggen – persé de lift moeten nemen tot de eerste verdieping ??


Liefs,

Concetta

Mijn locatie .

Dag 126 – 28 september 2016 – van Sarzana naar Marina di Massa – 22 km

Barbara en Roberto hebben de keuken al volledig aan te kant tegen de tijd dat wij onze rugzakken omgesjord hebben en afscheid gaan nemen. Barbara heeft een winkel van handtassen en accessoires. Ze is echter van plan die te sluiten en zich meer te focussen op de B&B. ‘Het probleem van Sarzana is dat de eigenaars van gebouwen waanzinnig hoge huurprijzen blijven vragen omwille van het zogenaamd historisch belang van deze stad, doch de handelsactiviteiten hebben zich verplaatst naar La Spezia en hier sluit de ene handelaar na de andere zijn deur.’ Een beetje ontmoedigd is zij, doch dankzij de de stijging van het aantal pelgrims op de Via Francigena hebben zij hoop voor hun B&B.

Zuchtend trekt André de zware deur dicht. ‘Wat was dit tof zeg!  Ik heb hier echt van genoten. Ben helemaal bekomen en heb zin om te stappen.’  Ik heb er ook heel veel zin in en we trekken samen door de Via Giuseppe Mazzini, richting Romaanse poort. 

Aan het rond punt, even na de poort, moeten we naar links, de Via Franciscana in. We gruwelen even bij de gedachte aan onze belevenis in het klooster eergisteren. De weg gaat vanaf daar stevig naar omhoog waardoor we snel neerkijken op Sarazana. 

Het meest in onze ogen springend is de gele, grote kerk van Sint-Franciscus. Die zullen we nooit vergeten. Van Wayne en Norma, het Canadees koppel dat we in Santa Cristina leerden kennen en waarmee we enkele dagen optrokken, krijgen we regelmatig tips door van goede verblijfplaatsen. Zij hebben een deel met de trein gedaan omdat ze op 20 oktober of zo, een afspraak met hun dochter in Rome hebben. Voor San Miniato tippen ze … het klooster van Sint Franciscus:-) Ik weet niet of we tegen dan van onze schrik af zullen zijn. 

We klimmen nog steeds steil naar omhoog, …… voorbij het fort van Sarzanello, die in de 14 eeuw de verblijfplaats was van Castruccio Castracani. Deze keizerlijke predikant zou model gestaan hebben voor ‘Il Principe’ van Niccolò Machiavelli. Raadgevingen aan vorsten geeft hij in dat boek: hoe zij ervoor moeten zorgen dat zij hun macht behouden en dat alle middelen daar goed voor zijn, zolang het doel maar bereikt wordt. Machiavelli was op zoek naar een nieuwe vorst die het toenmalig vreemdelingenproblematiek zou oplossen. Euh, verandert er echt niets in de wereld? Leren we echt niets van onze geschiedenis?

Voor deze bruiloft in Canioparolo zijn we wat te vroeg …… dan maar verder stappen door het Toscaans landschap dat een lust voor het oog is met haar heuveltjes en dalen … 

… met haar dorpjes, kerkjes en kastelen zowel hoog op de heuvels als diep in de dalen. 

Wat een bemoedigende kaart vinden wij op onze weg vandaag! Daarop staat de moeilijkheidsgraad op van de etappes tot Rome en na vandaag is er geen echt moeilijke etappe meer. En wat nog beter is, is het feit dat we het moeilijkste van vandaag achter de rug hebben. En dus beginnen we nog meer te genieten van al het moois dat we tegenkomen want over 470 km is het al gedaan!!

De olijfbomen staan heerlijk in de zon. Nadat we de berg na Aullo eergisteren afdaalden naar Sarzana toe, zijn we precies van de herfst terug naar de zomer overgeschakeld. Voor alle zekerheid vraag ik aan André hoe het met zijn herfstgevoel zit en, neen hoor, ook hij heeft dat niet. Integendeel, zijn hiel doet geen pijn en dat betekent volgens hem goed weer. 

De kaki’s (bij ons ook sharonfruit genoemd) verkleuren stilletjes aan van groen naar oranje. 

Met zijn gps steeds in de hand loopt mijn liefste overal de juiste weg te zoeken. 

Eigenlijk controleert hij dikwijls of de met pijlen goed aangegeven weg, wel degelijk goed aangegeven is. Je weet maar nooit en soms staat er ook effectief geen pijl en dan is het maar goed dat dr. Livingstone – want daar heeft hij wat van weg op bovenstaande foto vind ik – een klare kijk op de zaak heeft. 

De cactusvijgen smeken om gegeten te worden, maar ik vrees hun stekels en laat ze maar hangen, ondanks hun rijpheid (en ook omdat er iemand in de tuin aan het werken was).  

Het is quasi middag wanneer we in Castelnuovo zijn en toe zijn aan een hapje. We kijken wat in het rond en vinden een Japans restaurant. De rode loper ligt uit en er hangen ballonnen. Japanners doen veel om hun restaurant te laten opvallen. 

We willen binnen gaan en ze vragen ons nog even te wachten aan de deur. We zien Japannertjes wegschieten. De ene met een trapladder, de andere met een emmer met mortel, nog een ander met een stapel papier… We zijn de eerste klanten en worden met veel egard naar de tafel geleid, onze bestelling wordt opgenomen. … 

… en dan begint er een hele hoop mensen binnen te komen. De Japannertjes – ze zijn met velen – proberen iedereen goed te ontvangen, maar het wordt een chaos. Wij krijgen een deel van ons  eten. De rest volgt zo, zegt de blonde Japanse jongen. Na een half uur zegt het kleine Japans meisje met short ‘de rest komt zo’. Na een kwartier zegt de iets dikkere Japanse jongen – aan wie we koffie willen bestellen – dat ‘eerst de rest zal komen’. Na nog eens tien minuten is ons geduld op. Ik trek naar de kassa en vraag om de rekening maar zonder nummers 95 en 108 omdat we die niet gekregen hebben. ‘Ja maar neen, zet u aub terug neer want die brengen we zo’ zegt de kleine Japanse met de zwarte ballerina’s die ons ontving. Ik maak duidelijk dat we nu echt door moeten. ‘Kom dan morgen terug, dan doen we het opnieuw en krijgt u de maaltijd gratis’ dringt ze aan. ‘Dat lukt ook niet’ leg ik uit ‘we zijn op doortocht’. ‘Ach, dan betaalt u enkel de drank want jullie zijn onze eerste klanten. Het is vandaag onze openingsdag.’ Ik betaal 5 euro, bedank haar en zeg dat dat wat we aten echt lekker was. 

We trekken verder met de Apenijnnen links van ons in de verte als trouwe metgezellen. 

‘Kijk eens allemaal vogels’ zegt André. Dichterbij gekomen zeg ik ‘Neen, schatteke, ze hebben blijkbaar een kunstwerk gemaakt met grote dennenappels op het gras.  Een boer die ons ernaar ziet kijken, komt op ons af. ‘De jagers hebben dit gemaakt om vogels te lokken. Zo kunnen zij die gemakkelijk neerschieten vanuit hun schuilplaats’ vertelt hij ons. ‘Ik doe dat niet’ zegt hij er uitdrukkelijk en afkeurend bij  en dat vinden we tof van hem. 

Ook de granaatappels kleuren stilletjes aan rood, bijna klaar om in een fruitige salade te verdwijnen   

In de verte, achter het Romeins amfitheater ‘ zien we tussen de bergen, de marmergroeve van Carrara. 

Kijk eens, ook de limoenen zijn rijp!

En dit hebben ze uit witte Carrara marmer gebeiteld. 

De marmergroeve wordt steeds zichtbaarder en is echt immens. Het lijkt wel sneeuw zo uit de verte. 


Ik verslik mij in een wolk stof terwijl we door de industriezone voor marmerbewerkende bedrijven stappen. André is weeral in zijn nopjes: vrachtwagens die op en af rijden, kranen overal verspreid, … 

Deze blauwe bloemen bloeien desondanks op die straat, een kleine wonder en ik schenk deze aan onze 4-M’etjes. In Marina di Massa aangekomen hebben wij vanop de balkon van onze kamer in de Ostello della Gioventù (de jeugdherberg), dit vooraanzicht….

… en dit zijaanzicht. 

De Ostello was vroeger van een rijke mijnheer … 

… met volgens mij een bepaalde fixatie want dit Manneke Pis die in de tuin staat, heeft toch wat engs in zijn handen. 

De zon gaat stilletjes onder. 

En dan nog verder onder. 


Wij klinken op de voorbije kleurrijke dag in de strandtent met zicht op de palmen en het licht van de zon die nu helemaal weg is. 


En dan gaan de lichten buiten aan en die bij ons binnen uit, want morgen wacht een nieuwe dag die ons alweer een stapje dichter naar Rome leidt. 

Liefs,

Concetta

Mijn locatie .

Dag 124 en 125 – 26 en 27 september 2016 – van Aulla naar Sarzana – 18 km

Het is 13 u op dinsdag 27 september 2016. 


André en ik zitten vredig, gezellig en rustig langs elkaar op de sofa in de stijlvolle zitkamer van de B&B Palazzo Picedi Benettini in het centrum van Sarzana. Ik schrijf dit verslag, André leest de krant en houdt de social media in de gaten. We hebben spontaan een rustdag ingebouwd enerzijds omdat we zin hadden in een dagje rust, anderzijds omdat de stad Sarzana ontzettend mooi blijkt te zijn

De Palazzo van de Conte Picedi Benettini – een rijk oud adelijk geslacht – is gelegen in de Via Mancini in het historisch centrum, dateert uit 1720 en is het oudste paleis van Sarzana. De huidige graaf woont hier in de ‘Appartemento Nobile’ (het adelijk appartement), tenzij hij weg is voor één van zijn vele zaken naar Milaan. 
We werden gisteren positief overdonderd toen we na een lange, pittige tocht, gevolgd door een nare ervaring in het klooster van de Franciscaners, snel via booking.com een andere zo nabij mogelijk gelegen slaapgelegenheid zochten en hier naartoe vluchtten.   


De buitenkant van de kerk van Sint Franciscus en van het ertegenaan gebouwde klooster zag er nochtans goed uit. Niemand deed open toen we aan de kloosterdeur belden. ‘Dan maar via de kerk’ dachten we. We slopen stilletjes – met onze rugzakken aan, onze stokken in de hand en onze hoeden eerbiedig af –  langs enkele devoot biddende, in zichzelf gekeerde, op hun knieën zittende parochianen richting sacristie.  Daar hoorden we immers stemmen.  Heel voorzichtig gaan we binnen om de sacrale heiligheid niet te schenden. De sacristie is één grote, vieze chaos. Een lijvige man – waarschijnlijk de pastoor –  ligt in een versleten zetel in zijn ondergoed. Hij voelt zich duidelijk niet goed. Een dokterachtig type (het kan ook een verpleger zijn) is bezig een spuit te vullen en discussieert met een oudere, grijze, helemaal in het zwart geklede vrouw over waar hij die spuit juist moet zetten. De man in de zetel kreunt en kijkt met genepen ogen ongelukkig, duidelijk niet gerust in wat ze met hem willen doen. ‘We zijn op zoek naar het klooster’ zeg ik. ‘Je hebt die gevonden, dat is hier’ antwoordt een andere aanwezige man in een gele versleten T-shirt met overvettige pikzwarte haren. De zwartgrijze vrouw, die ondertussen met de dokter/verpleger overeengekomen is dat de spuit in de omwindelde arm van de man in de zetel moet gezet worden, net boven het verband, zegt op autoritaire toon: ‘Eerst moeten ze hun credentials laten zien. Zet daar een stempel op en wijs hen dan de weg.’ Wij doen gedwee onze rugzakken af, halen onze credentials eruit, krijgen er een stempel op … 

… – een heel serene die perfect de mooie, simpele eenvoud van Sint Franciscus symboliseert – en volgen de gele man met overvettige haren, die ook een gekke tred blijkt te hebben, een beetje als een waggelende gans die dringend naar het toilet moet. Die gaat vanuit de sacristie, dwars voorbij het altaar, naar de andere kant van de kerk, voorbij de nog steeds devoot biddend geknielde parochianen. Wij erachter met onze rugzak aan, onze stokken en hoed in de hand, ons afvragend of ze de man in de zetel zullen redden. Hij doet ons wat aan Lazarus denken. 

We komen voorbij heel wat opgestapelde spullen in de gang. ‘Hier buiten kan je de was doen en daar is de wasdraad’ duidt hij ons wijzend naar een vuile marmeren bak en een verroeste ijzerdraad in de onverzorgde binnentuin. We volgen hem verder. ‘Ik zal jullie hier installeren’ murmelt hij, ondertussen wijzend naar de badkamer waar ik van ver het gebruikte wc-papier op de grond zie liggen. We zijn inmiddels aangekomen in een soort leslokaal waar de stoelen en banken opzij geschoven zijn. Hij verdwijnt en komt terug met twee matrassen die hij in de hoek op de grond smijt. Hij wenkt ons om mee te komen naar de kamer waar hij de matrassen gehaald heeft. ‘Willen jullie ook een kussen en een deken’ vraagt hij terwijl hij ons elk een set in de handen duwt. Wij nemen die aan, niet goed wetend wat te doen, en leggen die in de ons toegewezen kamer op de matrassen en zakken beiden moe en ontredderd op de wankele stoelen neer. Voordat de gele, vettige man verdwijnt, wil hij dat we de donatie aan hem betalen. ’10 euro elk voor de donatie’ vraagt hij met uitgestrekte arm en zijn handpalm wijd open gespreidt. Wij – zowel moe van de pittige tocht van Aulla naar Sarzana, als onthutst door wat we aan het beleven zijn, doen dat gedwee. In andere parochiale verblijfplaatsen vragen ze een donatie die je na het verblijf discreet in het daarvoor bestemd busje steekt. Je geeft wat het je waard is geweest, 10 euro is de richtprijs. 

‘Nu moet ik even bekomen’ zucht André nadat de gele, vettige man weg is. Ik heb er buikpijn van gekregen, loop naar de badkamer en keer onverrichter zake terug. Het is nog viezer dan ik gevreesd had. ‘Gaan we hier weg’ stel ik voor en André gaat onmiddellijk akkoord. De simpele eenvoud van Sint Franciscus kan nooit zo vuil en vies zijn geweest. 

En daardoor stappen we nog geen halfuur later de eerder genoemde Palazzo binnen …


… via de enorme inkomhal met statige beelden en oude waardevolle zwart-witte tegels …


… en gaan de trap op. Het zacht doorsleten marmer roept scènes uit lang vervlogen tijden in mij op. Mijn fantasie zou hierdoor op hol kunnen slaan, maar ik heb nog zoveel echt gebeurde feiten te vertellen dat ik die neiging onderdruk. 


We gaan verder door gangen met beelden van voorvaderlijke Romeinen en komen uit op de bovenverdieping waar de B&B gevestigd is. 



Alles deed zo aristocratisch aan. We hadden toen nog geen idee van de grafelijke status van het gebouw. 


Roberto, de man van Barbara heeft het ons gisteren tijdens het onthaal allemaal verteld. Zij zorgde deze morgen voor het zeer verzorgd en rijkelijk ontbijt waarna we op stadsverkenning trokken. 

Het is een heerlijke morgen met een aangename temperatuur van rond de 22 graden en een quasi onbewolkte hemel.  
Sarzana is een middeleeuws stadje met een rijke geschiedenis en cultuur. Aan de vier hoeken van de stad staan uitkijktorens. 


Dit is die van Sint Franciscus. Gelukkig moesten we niet naar binnen. 


Twee citadellen beschermenden de stad, die van Sarzana en die van Sarzanella. Je ziet ze beiden op de foto: de eerste in het groot links, de andere hogerop rechts net onder het kruin van de boom. 


Op de piazza Giacomo Matteotti staan mooie palazzi met in het midden het monument voor de gesneuvelden. Op de foto staat het monument links, in het midden sta ik, tot nog toe geen monument :-)


De smalle, gezellige straten in het historisch centrum worden geanimeerd door locals met dagdagelijkse bezigheden. 


Deze drie jonge moeders zijn samen op wandel met hun babies en wisselen hun moederlijke ervaringen uit netjes op een rij. 


Vandaag zag je ook in de straatjes van Sarzana een winkelende pelgrim die gisteren haar degelijke, high-tech, zwarte fleece tijdens het stappen ergens onderweg verloren heeft en die vervangen heeft door een goedkoop wit jasje met kap:-(


Deze man heeft een hele kist porcini-paddestoelen in zijn armen. Ze zijn zo vers en rieken zo lekker dat we nu al besluiten om vanavond in zijn restaurant te gaan eten. 


Op de Piazza Garibaldi staat een jonge reus wiens arm rust op een schild met de beeltenis van Garibaldi. Het symboliseert het huidig Italië dat steunt op haar meest heroïsche held en is het grootste marmeren beeld ter wereld. Het marmer is van Carrara. 


We drinken een aperitief op die piazza met zicht op de blote reus én op de meest sexy medewerkster van de vuilnisophaaldienst die wij ooit gezien hebben. 

Het is inmiddels 14u30. Ik heb een afspraak met de kapper en laat mijn grijze uitgroei van inmiddels een dikke centimeter bijwerken en een aangepaster kapsel aanmeten. 


Mijn kapsel is nu zo kort en lelijk dat ik een pruik gekocht heb :-((( Ik lijk wel Jeanne d’Arc. 

Terug in de Palazzo realiseer ik mij dat ik nog niets verteld heb over de tocht zelf van gisteren buiten dat het pittig  was. 

We verlieten het op 49 meter gelegen Aulla in de mist … 


… klommen tot op 500 meter – steeds op en af waardoor we effectief 1000 meter geklommen hebben op een moeilijke met stenen bezaaide ondergrond – en zagen de zee over de bergen… 


… werden bij het passeren van het gehucht ‘Vecchietto’ (Oudje) dronken van de geur van de gistende wijn. Gianpiero toonde ons met trots zijn houten vaten waar de geplette druiven als een krans de vaten sierden. 

Het is inmiddels 19u30 en we eten als voorgerecht gebakken porcini en dan een côte-à-l’os met een saus van porcini, een salade en in de oven gebakken aardappelen. 


Ze worden ons met de glimlach geserveerd door de man die we vanmorgen met de porcini zagen rondlopen. 

En nu is het 20u15. André heeft het verhaal gecontroleerd op fouten en  het mag nu online gaan. 

Het was weer heerlijk, zowel de tocht gisteren als onze rustdag vandaag, de Franciscaners vergeten we gewoon. 

Wij drinken nu nog een koffie en gaan dan verder genieten van onze Palazzo waar we de enige gasten zijn. 

Liefs,
Concetta

PS: we zijn heel nieuwsgierig naar hoeveel mensen ons dagelijks verhaal effectief lezen. Zou je daarom een mailtje willen sturen naar concetta1310@gmail.com met gewoon een kort bericht bvb ‘ja ik lees’?  Je zou ons daar een enorm plezier mee doen. (Niet gewoon liken op FB is)

Mijn locatie .

Dag 122 en 123 – 24 en 25 september 2016 – van Pontremoli via Canossa tot Aulla – 38 km 

André loopt al door de poort van het Capucijnen-klooster van Pontremoli de nieuwe dag tegemoet …


…  wanneer mijn oog valt op deze mooie boodschap in de voortuin ‘Zing en stap’.  Ik zing veel tijdens het lopen, vooral in mijn hoofd. Soms ook een kleine flard luidop die dan zo anders is dan het lied in mijn hoofd door gebrek aan enige stemvastheid, en daardoor onherkenbaar, dat André gevraagd heeft om er aub mee op te houden wegens teveel pijniging van zijn oren. Er is desondanks één lied dat we samen meezingen telkens die uit één van de zovele beiaarden -kerktorens weerklinkt in de vele dorpen die wij passeren: het Ave Maria van Lourdes. Dan denken wij beiden spontaan aan onze 4-M’etjes aan wie we deze reis opdragen, want ook al schrijf ik er niet elke dag over, we denken en bidden iedere dag voor hen. Soms zijn we eerlijk gezegd ook ondeugend en zingen we ipv de woorden van het Ave Maria ‘Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan’ want de muziek van de eerste twee regels is dezelfde.  Ook André zingt trouwens vals, maar hij zegt dat hij dat indertijd bewust is beginnen doen om niet meer in het zangkoor van het college te hoeven zingen. 


In het kasteel, rechts bovenaan op de foto, is het andere pelgrimsverblijfplaats van Pontremoli. Wij kozen voor het klooster omdat die pas volledig gerenoveerd is en het kasteel oudere faciliteiten zou bieden. Paulo, de Italiaan die vorige nacht ook in de Ostello del Passo de Cisa verbleef, heeft er vannacht wél geslapen. Gisterenavond kwamen we hem in het middeleeuws centrum van Pontremoli tegen samen met zijn pas gearriveerde vriendin Paula.  ‘Hier kunnen we toch toegeven dat we minnaars zijn’ zei zij speels tegen hem toen ik vroeg of zij zijn vrouw was. Paolo lachte zowel samenzweerderig als ontkennend en dus weet ik de ware aard van hun relatie niet, maar ik kan wél zeggen dat Paolo er heel wat gelukkiger en relaxter uitzag dan de dag daarvoor. Ze waren helemaal alleen in het kasteel te gast en vroegen of we geen zin hadden om bij hen te gaan logeren. ‘Er zijn bedden genoeg, ze zijn volledig opgemaakt én er zijn handdoeken in de badkamer.’ Maar we waren al helemaal geïnstalleerd in het klooster en zijn daar maar gebleven. 


Vanuit het Literaire Café, waar we op de Piazza della Reppubblica ontbijten, hebben we een mooi zicht op het bevlagde gemeentehuis. De cappuccino smaakt weer heerlijk en we nemen er nu ook telkens een cornetto bij (gevulde croissant) want we zijn gezwicht… en begrijpen nu dit Italiaanse lekkere ochtendritueel. 


De klok van de toren geeft exact tien na acht aan op het moment dat wij het marktplein – waar de wekelijkse markt voorbereid wordt – verlaten. 

Pinokkio is een kind van deze streek en staat met zijn lange neus in de tuin van Theatro della Rosa als eerbetoon aan schrijver Collodi, net tegenover het klooster waar we opnieuw voorbij moeten om op de Francigina te gaan stappen. De droefheid van Geppetto bij het ontdekken van de leugens van zijn geliefde, door hemzelf uit kersenhout gesneden en daarna levendig geworden marjonet, is mij altijd bijgebleven. Ik begreep niet dat een kind tegen zo een lieve vader kon liegen. Ik was zelf een eerlijk kind en het respect en eerbied voor onze ouders kregen wij indertijd met de paplepel mee. Ik maakte voor het eerst kennis met Pinokkio tijdens de voor kinderen van Italiaanse ouders, verplichte Italiaanse les bij meester Casagrande. Wij, kinderen van Italiaanse ouders, vonden die verplichte lessen niet fijn omdat die op woensdagnamiddag en zaterdagvoormiddag doorgingen, terwijl onze Belgische vriendjes lekker buiten konden spelen. Bovendien was meester Casagrande nog van de oude stempel: heel streng en hij sloeg omdat volgens hem kinderen enkel dat begrepen. Dat mocht niet meer in Belgische scholen, maar in de Italiaanse blijkbaar wel. Ik kreeg bvb van hem met een ijzeren regel felle kloppen op mijn handen omdat er inkt op mijn vingers zat. Mijn vulpen lekte en ik kreeg geen nieuwe van mijn ouders bij gebrek aan geld en de vulpen schreef toch nog goed, vonden ze. Ik ging iedere keer met heel veel schrik naar de les, mijn handen verbergend in mijn zakken, doch tevergeefs want ik moest ze steeds laten zien. Klaar voor een onderverdiende afstraffing. 


‘Dit is toch wel een heel mooie oude Fiat 500, van ergens de jaren ’60 – ’70’ vertelt André en somt voor mij alle technische specificaties en weetjes op die ik inmiddels vergeten ben. 


‘En deze kever is van begin 1970′ gaat hij even later verder. De eigenaresse komt tijdens zijn bewonderingstoertje aan en bevestigt dat. Heel fier is ze met deze adoratie van haar voertuig en rijdt daarna breed glimlachend en zwaaiend weg. 


En dan verlaten we de straat én de auto’s, de heuvels in, lopen tussen wijnranken door, voorbij een vijgenboom van waaronder ik deze foto neem waarop je Monte Cisa die hoog boven Pontremoli uit torent, ziet. Daar komen we van. 

Enkele vijgen zijn rijp en ik pluk er twee.  De smaak van de versgeplukte vijgen brengt mij terug naar mijn geboortedorp Pietraperzia. Vijf jaar geleden was ik er voor het laatst rond Pasen. Op paasmaandag at ik daar plukrijpe vijgen onder de vijgenboom van Zio Vincenzo waar ik met mijn Zia Maria van Milaan zat te keuvelen terwijl de rest van onze familie aan de lange feesttafel zat te eten, te drinken, te babbelen en te lachen. Zio Vincenzo was mijn mama’s meest geliefde neef en de warmste. gulste, meest gastvrije man uit de warme, gulle, gastvrije familie van mijn moeder. ‘Je mama heeft mij leren dansen’ vertelde hij mij toen voor de zoveelste keer. ‘Wat een plezier hadden we toch samen voordat ze naar België trok met je vader. Zo jammer want ze heeft de migratie nooit verteerd.’ Zijn ogen fonkelden daarbij felblauw en jong in zijn voor de rest oude, verweerde en nu ook door ziekte uitgemergelde gezicht. Een jaar later is hij jammer genoeg  overleden. Door haar dementie  heeft mama dat verdriet niet beleefd, ze was al genoeg getekend door het jarenlange nostalgische verlangen naar haar dorp en haar familie. 


Aan de andere kant van de Apennijnen waren de honden veel liever. Terwijl wij van Pontremoli naar Villafranca trekken, worden we meermaals door woest, blaffende honden op stang gejaagd. Gelukkig zijn ze veilig opgesloten achter hekken. 


Aan deze witte huis, aan waypoint 74.036 in onze gids, is geen hek en we schrikken hevig wanneer de hond woest blaffend op ons afkomt. ‘Hij hangt aan de ketting’, stellen we opgelucht vast. Maar dan komt er uit het huis een tweede hond en die hangt niet aan de ketting en is nog woester.  Hij hapt eerst richting André die hem afweert met zijn stokken. Dan komt hij naar mij en ik doe hetzelfde. André komt mij ter hulp en samen staan we daar met onze stokken proberend de hond in bedwang te houden zonder hem te slaan wanneer een vrouw uit het huis komt. In plaats van de hond terug te roepen, begint ze ons uit te schelden. ‘Hoe durven jullie met stokken op zo’n brave hond te slaan. Die doet niks!’ ‘Maar mevrouw, hij wou ons bijten’ zeg ik rillend van de schrik.  ‘Dit is een heel brave hond, die bijt niet’ brult de Italiaanse furie heel luid enkele scheldwoorden eraan toevoegend. Door de onredelijke  houding van dat vrouwmens zeg ik streng ‘Leg die hond vast of ik ga naar de politie’. Zij begint nog harder te brullen.  ‘Een hond aan de ketting leggen is verboden. Ga maar naar de politie, dan zullen ze u aan de ketting leggen.’

André is inmiddels wijselijk verder gestapt – hij heeft er geen woord van verstaan – en ik volg. Het vrouwmens blijft echter brullen, allerlei verwensingen uitend in mijn nek. En dan hou ik het niet meer en laat de Italiaanse furie in mij los en roep ook verwensing over mijn schouder. Wanneer ik bekomen ben en aan André vertel wat het vrouwmens allemaal heeft staan brullen in het Italiaans is hij ook ontdaan. ‘Hoe en haar andere hond mag wel aan de ketting? Waar is de logica?’ vraagt hij en daar heb ik geen antwoord op. 


Dan worden we beiden rustiger en richten ons terug op al het moois dat ons omringt, zoals dit bos met bijenkorven, het pelgrimshatend vrouwmens niet toelatend onze dag te bederven.  

We vervolgen de weg langs prachtige holle wegen … 


… komen een jonge geitenboer tegen die zijn kudde hoedt samen met zijn hond die heel rustig achteraan loopt …


. .. ontmoeten Paolo en Paula in het bos die vragen waarom we niet bij hen zijn gaan overnachten. ‘En de kasteelgeest, is die komen spoken?’ wil ik weten. Maar neen, ze hebben een heel rustige nacht gehad en stappen vandaag tot Aulla. Overmorgen gaan ze terug naar huis. 


Rond halfeen zijn we op grondgebied van Villafranca, het einde van deze etappe. We zijn de enige gasten in het restaurant Madonna … 

… eten er gegrilde lamskotoletjes met peperonata,salade en gebakken patatjes… 


… en gaan dan via Filetto, een mooi pittoresk gehucht van Villafranca-in-Lunigiana … 


… door het triestige centrum van Villafranca zelf.  Het enige vermeldenswaardige daar is de dame op heel hoge roze pumps, zwarte satijnen legging, roze kanten frivole bloesje en lange knalrode haren. Die ging het bejaardenhuis binnen net toen wik passeerden. Ze stapte uit een Porsche Cayenne – met aan het stuur een man met veel tattoo’s op de armen, brillantine in het haar, ketting om zijn hals, diverse armbanden om zijn ene pols en een gouden horloge om zijn andere – die op de stoep blijft wachten. Een sekswerkster voor bejaarden met haar pooier. 

Gisteren hebben we een verblijfplaats geboekt en die blijkt heel hoog in Canossa te liggen. We vonden niets in Villafranca-in-Lunigiano zelf.  Twee uur moeten we steil naar omhoog klimmen. 

Heel saai op beton, wel met steeds mooiere uitzichten. Ieder op zijn eigen ritme, dat is de afspraak. 


Alweer een kudde geiten! Hoe lieflijk! Nu met een herderinnetje. De herdershond komt rustig op mij af, loopt mij voorbij en gaat de boerderij binnen. Wat een mooi tafereel denk ik en geniet terwijl ik gestaag klim. 

En dan komt de herdershond samen met een andere hond regelrecht, beiden woest blaffend, op mij af. Ik krimp ineen, maak een foto, draai mij met de rug naar hen, plant mijn stokken gekruist stevig achter mij en blijf stokstijf staan. De geitenhoedster ziet het gebeuren en roept hen streng terug. Gelukkig gehoorzamen ze. Ik heradem en klim verder. 


André wacht halverwege op mij zittend in het gras. Hij heeft blijkbaar lang moeten wachten want zijn spieren zijn verstijfd. Hoffelijk geef ik hem een hand en help hem recht:-) 

Samen gaan we verder en komen uiteindelijk – beiden licht uitgeput –  aan in het kleine, pittoreske gehuchtje Canossa. 


Aan onze rechterzijde zien we een groot, mooi domein ‘Il Castelletto’ dat toebehoort aan een rijke industrieel uit Milaan, links van ons de lieflijk  ingeplande huizen. 

De B&B zelf vinden we maar niks, over het onthaal zijn we helemaal niet te spreken. Het enige restaurant ‘Da Capetta’ is gelukkig open en is echt een aanrader. Je krijgt er de bediening van een sterrenrestaurant en het eten kan je omschrijven als subliem in haar eenvoud. Het uitzicht vanop het terras is grandioos. 


‘s Anderdaags gaan we richting Aulla nu genietend van het dalen in de ochtend. 


De mist hangt in het dal en de zon staat reeds redelijk hoog aan de hemel. 


Onderweg hebben we een aangename ontmoeting met een echtpaar uit Parma die voor hun deur, net voor de oude stadsmuur, aan het genieten is van het uitzicht, terwijl ze een praatje slaan met hun buurman   Zij gezellig nog in haar kamerjas. ‘De mist trekt tegen halftien op, er zijn hier geen muggen, je kan de hele zomer vrij ademen en ‘s nachts koel slapen. De hemel op aarde.’ Dat is in het kort wat ze mij vertellen. 

Voordat we een bar tegenkomen waar we kunnen ontbijten …


… moeten we een 8-tal kilometer lopen, van Canossa tot Barbarasco, daarna nog een 6-tal km tot Aulla … 

… over de rivier Magra waar een beetje water in staat. 

In de Abazzia di San Capriano … 


… worden we hartelijk onthaald door de vriendelijke vrijwilliger met koffie, water en koekjes. 


En nu genieten André en ik van een heerlijke zondagse rust en sturen jullie deze virtuele ‘Baci’ oftewel Italiaanse chocolade kussen. 

Liefs,

Concetta

Mijn locatie .